De industriële revolutie die in de westerse landen de basis legde voor een industriële samenleving. De industriële revolutie begon in Groot-Brittannië in de 18e eeuw en verspreidde zich daarna over de westerse wereld. Door de uitvinding van machines en nieuwe energiebronnen, zoals de stoommachine, veranderde de economie van agrarisch-stedelijk naar een industriële samenleving met fabrieken en massaproductie.
Discussie over de ‘sociale kwestie’.
De industriële revolutie leidde tot grote sociale problemen, zoals slechte woon- en werkomstandigheden, lage lonen en kinderarbeid, vooral voor arbeiders in de steden. Dit veroorzaakte discussies over de ‘sociale kwestie’, waarbij men zocht naar oplossingen voor deze armoede en ongelijkheid.
De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie. Europese landen veroverden in de 19e eeuw grote delen van Afrika en Azië, niet alleen voor handel maar ook voor grondstoffen en afzetmarkten voor hun industriële producten. Dit moderne imperialisme leidde tot de uitbouw van koloniale rijken en de wereldwijde overheersing door westerse mogendheden.
De opkomst van emancipatiebewegingen. In de 19e eeuw kwamen verschillende emancipatiebewegingen op die streden voor gelijke rechten en stemrecht. Voorbeelden zijn de arbeidersbeweging, de feministische beweging (vrouwenemancipatie) en de confessionele bewegingen die opkwamen voor de rechten van gelovigen, bijvoorbeeld voor bijzonder onderwijs.
Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces. Gedurende de 19e en vroege 20e eeuw vond een voortschrijdende democratisering plaats, waarbij het kiesrecht geleidelijk werd uitgebreid. Eerst kregen meer mannen stemrecht en later, mede onder invloed van emancipatiebewegingen, verkregen ook vrouwen het actief en passief kiesrecht, waardoor steeds meer burgers deel konden nemen aan het politieke proces.
De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme. Als reactie op de veranderingen in de samenleving, vaak veroorzaakt door de industriële revolutie, ontstonden diverse politiek-maatschappelijke stromingen. Liberalisme stond voor vrijheid en individuele rechten, nationalisme voor eenheid van volk en staat, socialisme voor gelijkheid en sociale rechtvaardigheid, confessionalisme voor politiek gebaseerd op geloof, en feminisme voor gelijke rechten voor vrouwen.