--> meer landbouwproductie dus:
Politiek:
- vorsten kregen minder macht doordat steden eigen bestuur kregen
- In ruil voor stadsrechten, eigen tol en rechtspraak kreeg de koning belasting en militaire steun van de steden
- poorters = inwoners van steden, vrije burgers, vaak in het bestuur
Economisch:
- steden kregen marktrecht en werden handelscentrum voor regio's
- Atrecht was stad in Vlaanderen met veel lakennijverheid
Sociaal:
- kooplieden vormden de hoogste klasse = Patriciërs. Zij hebben macht door:
- onderling verdelen van bestuursfuncties
- geld lenen aan vorsten en adel waardoor die afhankelijk zijn van de Patriciërs
- samenwerken in gilden met afspraken